Als pedagogisch medewerker stimuleer je de ruimtelijke oriëntatie van het kind. Je helpt het kind bij zijn ontdekkingsreis, waarbij het schuivend, kruipend, lopend en klauterend de wereld verkent. Dat lijkt logisch, maar wist je dat die ruimtelijke oriëntatie veel belangrijker is dan we vaak aannemen? Oefentherapeut Marieke Regeling geeft praktische tips.

| Dit artikel komt oorspronkelijk uit editie december 2016 in het blad Kinderopvang | Download hier het volledige artikel.

Het lijkt een open deur. Kinderen moeten de vrijheid krijgen om de wereld te ontdekken, want dat is goed voor de ontwikkeling. Maar dat die ruimtelijke oriëntatie cruciaal is voor allerlei aspecten van de ontwikkeling, beseffen we onvoldoende, stelt oefentherapeut Marieke Regeling. ‘We denken bij de motorische ontwikkeling in mijlpalen: omrollen, kruipen, lopen, veters strikken. Minstens zo belangrijk is echter dat je je leert oriënteren in de ruimte, dat je weet waar je hand is gebleven als hij achter je rug zit, maar ook hoe je je verhoudt tot de ruimte, dus of je onder de tafel past als je er onderdoor kruipt.’

Lichaam

‘Het begint met jezelf als uitgangspunt’, vertelt Marieke. ‘Daarom spelen baby’s met hun tenen en vingers, ze verkennen hun lichaam.’ Zo bouwen de hersenen een ‘lichaamsschema’ op; er ontstaat een mentaal plaatje van het lichaam. Het brein registreert waar de rechtervoet en het linkeroor zitten en welke spieren nodig zijn om met je hand de blokkentoren om te duwen. Maar baby’s kijken ook al rond. ‘Hoe ver is de rand van het bed, hoe kun je dat stuk speelgoed bereiken? Om dat te stimuleren kun je de houding van baby’s steeds veranderen: liggend op hun buik of rug, zittend hoog op je schoot of laag op de grond. Hierdoor zien ze steeds een ander perspectief, vooral vanaf zes maanden als ze diepte gaan zien.’

Strategie

Bij de motorische ontwikkeling heeft elk kind zijn eigen strategie. ‘Sommige kinderen proberen veel, vallen veel, maar leren al doende. Wees niet te voorzichtig, want deze kinderen weten vaak precies wat ze kunnen’, aldus de oefentherapeut. ‘Andere kinderen kijken heel lang tot ze doorhebben hoe iets werkt en doen het dan vaak in één keer goed. Het heeft geen zin om deze kinderen erg te stimuleren, laat ze het op hun manier doen. De derde groep is afwachtend en durft niet echt. Deze kinderen kun je voorzichtig stimuleren, daag uit met je stem of een wegrollende bal, steeds iets verder.’

Rollers en kruipers

Elk kind beweegt anders. Zo zijn er in de kruipfase rollers, bilschuivers en kruipers. Op zich allemaal prima, vindt Marieke. ‘Maar als je je zorgen maakt omdat een kind zich eenzijdig beweegt, kun je de ouders aanraden om advies van een arts in te winnen. Als er niets aan de hand blijkt, daag het kind dan uit tot andere bewegingen. Zeg nooit “dat mag niet”, maar laat zien dat er alternatieven zijn.’
Een kind dat door een spreidbroek (bij heupdysplasie) of een permanente handicap niet vrij kan bewegen, kun je helpen zodat de ruimtelijke oriëntatie in de ontwikkeling gewoon doorgaat. ‘Neem het kind op je arm, laat het ervaren hoe het is om onder de glijbaan door te lopen of op tafel te zitten. De hersenen registeren dat allemaal.’

Pas op voor de tablet

Wat is ‘ruimte’? Een kind heeft te maken met de werkelijke ruimte, waarin het leeft. Dan is er de verkleinde ruimte, dus een weergave van de werkelijkheid, zoals een poppenhuis. Verder is er de afgebeelde ruimte, tweedimensionaal. Denk aan een foto, tv of animatie op een tablet. Het is belangrijk dat kinderen met al die ruimten spelen. Als een kind uitsluitend spelletjes op de tablet doet, leert het niet uit eigen ervaring hoe het voelt als een glas water overloopt of als er een blokkentoren op zijn voet valt. Marieke Regeling: ‘Dit heeft ook gevolgen voor de ontwikkeling van cognitieve functies zoals rekenen. In de werkelijke, driedimensionale ruimte, leren kinderen stapelen en ordenen, dat helpt bij het rekenen later.’

Tips

• Leg baby’s op verschillende plekken en hoogtes en zet spiegels neer.
• Daag altijd uit om iets verder te gaan door materialen aan te bieden of door de aandacht op je te vestigen met je stem of door zwaaien.
• Laat kinderen vrij verkennen, maar geef grenzen aan. Leg uit wat veilig is of dat je een bal mag rollen, maar niet gooien. Bij kinderen die nog niet ‘talig’ zijn, laat je het zien.
• Inrichting: varieer in spelmateriaal, maar bied niet te veel aan. Wissel liever uit met andere groepen.
• Gebruik geen verkleinwoorden, zeg niet ‘handje’, maar ‘hand’. Voor een kind heeft zijn hand de juiste grootte.
• Vaak snappen kinderen niet waarom ouders verdwijnen en later weer opduiken. Leg uit waar mama werkt (foto’s kunnen helpen) en beschrijf hoe ze het kind met de auto weer komt ophalen.

Herhaling

Kinderen herhalen vaak een beweging. Ze lopen tien keer over dezelfde biels, rennen hetzelfde rondje rond een boom of klimmen steeds hetzelfde trapje op. ‘Stoor hen daarin niet. Door herhaling leren de hersenen hoe de spieren moeten bewegen. Kinderen leren ook dat iets veilig is, dat ze het kunnen. Wat wij saai vinden, is dat voor een kind helemaal niet. Wat je wel kunt doen als de kinderen steeds over hetzelfde balkje lopen, is wat materiaal zoals plankjes of takken erbij leggen. Je zult zien dat ze dat vanzelf introduceren in hun spel als ze daaraan toe zijn